“… het eerste en voornaamste gebod: de Liefde, Naastenliefde.”                                                                                    
55V - juli 2018

De Boodschappen

Jaartal 1959 en Nawoord

56ste Boodschap

31 mei 1959

De gekroonde Vrouwe in hemelse glorie Het was zondagmiddag tegen drie uur. Wij zaten met ons allen in de kamer. Ineens zag ik vanuit ons raam iets in de lucht gebeuren. Van schrik zei ik tegen mijn huisgenoten: “Kijk daar eens!” en wees naar de lucht. Wij liepen allemaal naar het raam toe. Ineens zag ik toen het licht, een enorm licht boven de Wandelweg. Ik kon er niet in kijken en deed de handen voor de ogen. De anderen zagen het niet en vroegen wat er was. Ik knielde neer en vouwde de handen. Maar ik werd gedwongen ernaar te kijken. Terwijl ik keek, dacht ik dat de lucht werd opengescheurd. Het was werkelijk een openscheuren van de lucht wat ik zag. Ineens zag ik de Vrouwe in haar volle glorie staan. Ik kan onmogelijk het geweldige, hemelse, glorievolle ervan weergeven. Ik had haar nog nooit eerder zo gezien. De schapen, wereldbol en kruis zag ik niet, alleen de Vrouwe, maar met een enorme schittering van licht en glorie om haar heen. Ik moest ineens naar haar hoofd kijken en zag daar nu een kroon op staan. Dat had ik nooit eerder gezien. Geen diamanten of gouden kroon zag ik, maar toch wist ik dat het een kroon was, schitterend van licht aan alle kanten, mooier dan de mooiste diamanten kroon. De Vrouwe zelf was trouwens ook een en al schittering. Nogmaals: iets hemels en glorievols, beter kan ik het niet uitleggen. Doet boetvaardigheid Toen zag ik onder die glorievolle voorstelling een stuk ijle, blauwe lucht en daaronder de bovenkant van de wereldbol. Deze was heel zwart. Dat gaf mij een vreselijk droevig en akelig gevoel. Dan zag ik de Vrouwe maar steeds met de vinger heen en weer gaan en Zij schudde haar hoofd - het leek mij afkeurend en waarschuwend - naar die zwarte wereld. Ik hoorde zeggen: “Doet boetvaardigheid.” Daarna zag ik iets heel eigenaardigs. Uit die donkere, zwarte wereldbol zag ik allemaal hoofden van mensen komen. Langzaam zag ik al die hoofden omhoog komen, dan hun lichamen en ten slotte zag ik die mensen helemaal op die ronde, halve wereldbol staan. Toen ik ernaar keek, dacht ik: hoe is het toch mogelijk dat er zoveel verschillende rassen en soorten mensen bestaan. Terwijl ik met verbazing naar al die mensen keek, zag ik de Vrouwe de handen zegenend uitstrekken over die mensen en Zij keek toen niet meer zo bedroefd. Ik hoorde haar zeggen: “Brengt Hem eerherstel.” De Heer verschijnt Ineens was de Vrouwe weg en zag ik op haar plaats een hostie staan. Het was een geweldig grote hostie. Daarom zag ik ook duidelijk dat het een gewone hostie was, zoals wij ze in de kerk zien, van ouwel of brood. Dan kwam er voor die hostie een grote kelk te staan, nu zag ik dat die kelk van prachtig goud was. Deze viel om met de open kant naar mij toe. Toen zag ik vanuit die kelk dikke stralen bloed stromen. Dat bloed viel allemaal op de wereldbol en stroomde van de aarde af. Dat was een heel naar gezicht, ik werd er akelig van, steeds maar die stromen bloed. Dat duurde een hele poos. Maar ineens veranderde dat alles en werd het geheel een stralende, lichtende Heilige Hostie. Zo’n licht straalde daaruit dat ik de handen voor de ogen sloeg. Ik kon er niet in kijken en dacht werkelijk dat ik blind zou worden. Maar inwendig werd ik toch gedwongen ernaar te kijken. Die Heilige Hostie leek gewoon wit vuur. In het midden was een kleine opening of diepte, anders kan ik het niet uitleggen. Dan was het ineens alsof die Heilige Hostie opensprong en ik zag daaruit een zwevende Gestalte komen, een Persoon, zo machtig, zo groots, vergeef mij, ik kan de grootheid en macht niet weergeven die uit deze Figuur kwam. Het was te geweldig, ik durfde haast niet te kijken. Toen ik naar die geweldige, grootse Figuur keek, kreeg ik ineens heel sterk in mij: dit is de Heer. Ik voelde mijzelf zo verschrikkelijk klein tegenover die onuitsprekelijke grootheid. Om het lichaam heen was een soort doek geslagen, over de schouder en dan verder schuin om het lichaam heen. Het gezicht straalde enorm. De voeten waren op elkaar geplaatst zoals je dat weleens ziet op het kruis. Op die voeten zag ik een litteken waaruit stralenbundels van licht kwamen. De handen waren een beetje omhoog gericht, de ene hand wat meer dan de andere. In die handen zag ik ook een soort litteken. Ook daaruit kwamen geweldige stralenbundels van licht. Ik zag één Persoon maar steeds moest ik denken: en toch zijn het er twee. Maar als ik keek zag ik er maar één. Dat ging maar steeds zo in mijn gedachten: en toch zijn het er twee. Dan kwam plotseling vanuit hun midden een onnoemelijk licht en ik zag daarin, vanuit hun midden - anders zou ik het niet kunnen noemen - een Duif komen, die pijlsnel naar beneden ging, naar de wereldbol. Voor die Duif uit ging een onnoemelijk licht en achter hem aan een geweldige stralenbundel. Dat licht was zo enorm dat ik er weer niet in kon kijken en de handen voor de ogen sloeg. Mijn ogen deden er pijn van. Maar weer werd ik gedwongen om te kijken. Wat een glorie en een macht straalde uit dat geheel: die zwevende Gestalte, majestueus, machtig, groots, en dan dat licht met die nu overstraalde wereld. Dan hoorde ik zeggen: “Wie Mij eet en drinkt, neemt zich het eeuwige leven en ontvangt de ware Geest.” Vaarwel Toen ik dat een hele tijd had mogen aanschouwen, kwam weer de Vrouwe in al haar glorie terug, precies zoals het begon. Maar nu zag ik heel duidelijk het verschil tussen haar glorie, als ik me zo mag uitdrukken, en de grote macht en majesteit van de zwevende Figuur. Het was alsof de Vrouwe in de schaduw stond van de Heer; dat gevoel kreeg ik over mij. De Vrouwe keek nu blij. Zij keek mij heel lief aan en ik hoorde haar heel zacht en uit de verte zeggen: “Vaarwel.” En heel zacht voegde Zij eraan toe: “Tot in de hemel.” Dat maakte mij zo bedroefd dat ik dit laatste niet meer kon nazeggen. Ik begon te huilen want ik voelde dat dit haar afscheid was, voorgoed. Heel langzaam zag ik de Vrouwe weggaan en daarna het licht. (77)

Nawoord

Op 31 mei 1958 zegt de Vrouwe in haar voorlaatste boodschap: “In alle rust ben Ik gekomen. In alle rust zal Ik teruggaan naar Hem, die mij gezonden heeft. Wees niet bedroefd. Ik laat u niet als wezen achter. Hij, de Vertrooster en Helper zal komen.” De zieneres heeft deze troost op unieke wijze mogen ervaren door een reeks bijzondere ervaringen die in nauw verband staan met de Eucharistie en die daarom de ‘Eucharistische Belevenissen’ worden genoemd. Zij hebben voortgeduurd tot in de jaren ’80. Vanwege hun specifieke karakter worden zij in een aparte uitgave gepubliceerd.

Het Mirakel van Amsterdam

Het mirakel van Amsterdam vond plaats op 15 maart 1345, 600 jaar voor de eerste verschijning van de Vrouwe van alle Volkeren. In zijn huis in de Kalverstraat lag een zieke man op sterven. Hij ontving de laatste sacramenten maar braakte de heilige Hostie uit. De vrouw die hem verpleegde, wierp daarop het braaksel in het vuur. Toen zij de volgende morgen het vuur weer oprakelde, zag zij de Hostie boven de vlammen zweven. Zij legde deze op een doek in een kist en liet een priester komen. Deze nam de Hostie in alle stilte mee naar de St.-Nicolaaskerk, de huidige Oude Kerk, maar tot ieders verbazing lag de Hostie de volgende morgen weer in de kist. Voor de tweede maal kwam de priester en hetzelfde ritueel voltrok zich. Toen de dag erna de Hostie op onverklaarbare wijze voor de derde maal in de kist werd aangetroffen, begreep men dat het de bedoeling was dat dit wonder publiekelijk bekend werd. De Hostie werd opnieuw naar de St.-Nicolaaskerk gebracht, maar nu in een luisterrijke processie of ‘ommegang’. De bisschop van Utrecht stond, na onderzoek, in 1346 de verkondiging van het wonder toe. Het Hoogfeest van het H. Sacrament werd een kerkelijk - stedelijk feest en de plechtige processie werd jaarlijks herhaald. Het huis waar de zieke was gestorven, werd tot kapel omgebouwd. Onder de pelgrims die in de loop der jaren naar Amsterdam kwamen, bevond zich keizer Maximiliaan van Oostenrijk, die om genezing kwam bidden. Als dank voor de verkregen genezing, mocht de stad Amsterdam voortaan de keizerskroon in haar wapen dragen. In 1578 werd de jaarlijkse processie door het gereformeerde stadsbestuur verboden en de kapel raakte in onbruik. In 1881 werd het initiatief genomen de ommegang opnieuw te houden, maar dan in stilte. Sindsdien wordt jaarlijks in de maand maart, in de nacht van de zaterdag op de zondag na de 15e maart, de ‘Stille Omgang’ gehouden: ter afsluiting van de Mirakelweek trekt men in stilte biddend langs de weg van de historische Mirakelprocessie. In 1908 werd de in onbruik geraakte kapel onder veler protest gesloopt. Inmiddels was de kapel op het Begijnhof aangewezen als de plaats waar het Mirakel van Amsterdam wordt herdacht.

Het schilderij van de Vrouwe van alle Volkeren

De beeltenis van de Vrouwe van alle Volkeren, geschilderd door de Duitse schilder Heinrich Repke in 1951, verbleef tot eind 1953 in de kapel van een landgoed in Duitsland. Daarna werd het schilderij overgebracht naar Nederland en voorlopig geplaatst in de pastorie van de Dominicanerkerk St. Thomas, aan de Rijnstraat te Amsterdam totdat de pastoor verlof kreeg van mgr. Huibers, de bisschop van Haarlem, het schilderij te plaatsen in de Maria-kapel van deze kerk. De plechtige installatie had plaats op 19 december 1954. Nadat op 31 mei 1955 in een volle kerk Ida Peerdeman in deze kapel haar 51e boodschap van de Vrouwe van alle Volkeren had ontvangen, kwamen er negatieve reacties. Men vreesde dat de St.-Thomaskerk zich tot een bedevaartsoord zou ontwikkelen en dat wilde men vermijden. Op 10 juni 1955 trok de bisschop zijn toestemming in en de pastoor diende het schilderij te verwijderen. Als reden werd opgegeven, dat een openbare verering niet kon samengaan met het onderzoek naar de echtheid van de verschijningen. Alles wat aan de devotie herinnerde werd uit de kerk verwijderd. Tot 1966 zou het schilderij van de Vrouwe eerst in de bibliotheek, daarna in de kelder van de pastorie staan. Vervolgens werd het schilderij geplaatst in het kerkje van Ville d’Avray bij Parijs (1966-1967), in het klooster van de paters van het H. Sacrament in Den Haag (1967-1969), in hun klooster te Oegstgeest (1969-1970) en tenslotte in het huis aan de Diepenbrockstraat in Amsterdam. In de kelder van dit huis was een kapel ingericht waar het schilderij van de Vrouwe van alle Volkeren op 16 juni 1970 voorlopig werd geplaatst, totdat op 15 augustus 1976 de huidige kapel plechtig in gebruik werd genomen. Na vijfentwintig jaren van omzwervingen had het schilderij zijn voorlaatste bestemming bereikt. De uiteindelijke bestemming heeft de Vrouwe zelf aangegeven in haar 52e boodschap: “In een aparte kapel” in “het huis van de Heer Jezus Christus”, de toekomstige kerk van de Vrouwe van alle Volkeren aan het Europaplein in Amsterdam.

De zieneres vertelt wat er gebeurde in de week die voorafging aan de

boodschap van 19 februari 1958

12 op 13 februari 1958 Het is precies drie uur in de nacht. Ik werd door iets wakker met een schok, weet echter niet waardoor. Ik zag een hel licht in de kamer en hoorde de stem van de Vrouwe zeggen: “Zeg tegen de sacrista dat Ik het ben, de Vrouwe van alle Volkeren, de Medeverlosseres, Middelares en Voorspreekster, die hem vraagt toch te doen wat Ik verlang. Het is goed zo. Dat is mijn antwoord aan hem.” Ik antwoordde dat ik het niet durfde. De Vrouwe zei: “En jij kind, bid, bid zeer veel tot inkeer van de volkeren en voor en om goede priesters. Offer je leven daarvoor. Ik zeg nogmaals: dit is het antwoord aan de sacrista.” Toen was alles stil en ging langzaam het licht uit de kamer. 17 op 18 februari 1958 De Vrouwe is elke nacht na de 13e gekomen met dezelfde boodschap, die ik steeds niet doorgegeven had. Vannacht, dus tussen 17 en 18 februari 1958, begon de Vrouwe zo: “Je hebt nog niet gedaan wat Ik je gezegd heb.” Ik antwoordde: “Dat durf ik niet.” Toen zei de Vrouwe: “Zeg tegen de sacrista: het is goed zo. Maar jij kind, gehoorzaam mij. Doe wat Ik je zeg.” Ik ben naar mijn leidsman gegaan en heb hem alles verteld. Maar hij verbood mij deze boodschap naar de sacrista te schrijven.

Droom van 24 juni 1959

Gisterennacht, 24 juni, had ik een heel eigenaardige droom. Het was namelijk zo. Ik was ergens, weet niet waar. Daar kwam ineens een dame op mij af en wilde mij interviewen. Ik stribbelde tegen, maar kwam er toch niet van af. Ik riep in mij zelf de Vrouwe aan en ineens ging ons gesprek als gesmeerd. Wij kwamen op het laatste visioen van 31 mei 1959 en zij vroeg mij om een uitleg. En nu komt het, ik zei: “Daar weet ik geen raad mee.” Maar ineens was het alsof ik een ingeving kreeg en ik begon te vertellen aan die dame: “Is het niet merkwaardig”, zei ik, “het visioen slaat volgens mijn bescheiden mening op het gebed. Het is in beeld weergegeven als afscheid.” Maar toen vroeg zij om een uitleg. Ik zei weer: “Kijk, Heer Jezus Christus (eerste beeld van de Gestalte), Zoon van de Vader (steeds die gedachte: en toch zijn het er twee), zend nu Uw Geest over de aarde. Laat de Heilige Geest wonen in de harten van alle volkeren (uit hun midden kwam een duif met onnoemelijk licht en ging pijlsnel naar beneden, naar de aarde en volkeren). Moge de Vrouwe van alle Volkeren, die eens Maria was, enz. (toen zag ik weer de Vrouwe in al haar glorie, hemels gekroond, enz. en niet meer de Vrouwe zoals ik haar als Maria zag in de kerk, thuis, enz.)” Deze droom wilde ik ‘s morgens aan mijn huisgenoten vertellen, maar ik kon het niet meer navertellen. Ik zei: “Ik heb toch zo’n eigenaardige droom gehad, maar ik weet de uitleg die ik moest geven niet meer na te vertellen.” Laat ik nu deze nacht, 25 juni 1959, heel duidelijk weer de uitleg krijgen. Niet meer in verband met dat interview. Het leek alsof ik wakker was, maar toch was ik het niet, want deze nacht heb ik voor het eerst goed geslapen. Er was in deze droom nog iets eigenaardigs. De dame, die in mijn droom op mij afkwam, was eerst een gewone dame. Zij vroeg mij om een uitleg van de boodschap van 31 mei 1959. Ik stribbelde tegen, want ik wist nooit een uitleg aan de boodschappen te geven. Dan keek die dame mij aan en alsof ik plotseling een ingeving kreeg, begon ik te vertellen. Maar op dat moment zag ik ineens in die dame de Vrouwe in menselijke gestalte. 77.  Op 24 juni 1959 wordt aan de zieneres in een droom uitgelegd dat dit visioen een verbeelding is van het gebed. Zie appendix IV. 78.  Naar aanleiding van deze boodschap heeft de zieneres een brief geschreven aan pater Frehe, haar leidsman. Zie ‘Brieven’. 

< VORIGE

VOLGENDE >

de Vrouwevan Alle Volkeren

Jaartallen

1945 1950 1946 1951 1947 1952 1948 1953 1949 1954 1955 1956 1957 1958 1959 en Nawoord Brieven